vrijdag 3 juni 2011

Een model om deskresearch te doen


Deskresearch: meer dan het verzamelen van informatie
Dit is een stukje uit het geheel herziene studieboek Deskresearch van Mirjam Broekhoff. Deze herziene uitgave zal maart 2012 bij Noordhoff uitgevers verschijnen.
Het eerste waaraan mensen denken bij ‘deskresearch’ is het zoeken en vinden van informatie. Ervaren deskresearchers geven echter aan dat ‘informatie verzamelen’ maar een heel klein deel van het werk is. Om goed onderzoek te doen moeten er veel meer stappen gezet worden. Het proces begint met het afbakenen van de informatievraag, vervolgens gaat de onderzoeker inderdaad informatie zoeken. Daarbij hoort ook het selecteren van allerlei gevonden informatie, het beoordelen wat de kwaliteit van de informatie is, het analyseren van de gegevens, het trekken van conclusies en het aanscherpen van de onderzoeksvraag. Dat proces is in het volgende schema weergegeven.
Figuur 2.1           De stappen in deskresearch

In hoofdstuk 1 hebben we de grondbeginselen besproken van het verzamelen van informatie. Ook de hoofdstukken hierna gaan dáár over. In dit hoofdstuk gaan we in op de andere activiteiten die horen bij het deskresearch en die essentieel zijn om goed onderzoek te doen.
Een onderzoeker die alleen maar informatie verzamelt, loopt vast. Na enkele uren of dagen heeft hij honderden files en bronnen en ziet door de bomen het bos niet meer. Daarom moet deskresearch worden uitgevoerd als een cyclisch proces. Voorafgaand aan het doen van deskresearch formuleer je wat de organisatievragen zijn en welke onderzoeksvragen beantwoord moeten worden. Daarna ga je als volgt te werk.
Stap 1   Formuleer een beperkt aantal informatievragen
Kies twee tot vijf met elkaar verwante informatievragen uit en ga op zoek naar informatie die een antwoord op deze vragen kan geven. Eerder gaven we een voorbeeld waarbij je onderzoek gaat doen naar ontbijtproducten in Europa. De eerste vragen kunnen bijvoorbeeld zijn:
·         Hoeveel ontbijtproducten worden er in Europa verkocht,
·         Hoeveel ontbijtproducten worden er specifiek in Nederland verkocht
·         Wat zijn landen met specifieke verschillende ontbijtculturen,
·         Welke ontbijtproducten worden er in Nederland verkocht,
·         Zijn er in andere landen heel andere ontbijtproducten te vinden?
Plan ongeveer 2-3 uur om informatie te zoeken waarmee je deze vragen kunt beantwoorden. Beoordeel tijdens het zoeken al snel even de waarde van de gevonden informatie. Schat je in dat deze kennis gaat leveren, ofwel: is het gerechtvaardigd om te geloven dat deze informatie waar is?
Stap 2   Analyseer de gevonden informatie
Het resultaat van de vorige stap is een stapel(tje) prints, kopieën, namen van bronnen, urls’s van interessante websites en documenten met knipsels van websites. Mogelijk heb je ook nog filmpjes en foto’s gevonden.
Vervolgens ga je de informatie analyseren. Daarbij kijk je nog eens goed of er sprake is van kennis. Ook vraag je je af of de informatie belangrijk is voor het beantwoorden van je onderzoeksvragen. Het analyseren brengt je ook op ideeën voor nieuw informatievragen of mogelijke bronnen. Daarna trekt je conclusies over wat je gevonden hebt. Daarbij kijk je of de gevonden informatie antwoord geeft op de vraag die is gesteld. Is deze informatie objectief, volledig en betrouwbaar?
Stap 3   Trek conclusies en stel opnieuw informatievragen
Trek conclusies uit de informatie die je gevonden hebt. Ga eerst na of de informatievragen die je gesteld hebt nu zijn beantwoord? Is het antwoord volledig of moet je nog verder zoeken? Ga vervolgens of je welke bronnen hebt gevonden die mogelijk meer informatie kunnen geven voor dit onderzoek. Daarna overweeg je welke informatievraag je in de volgende zoekstap gaat stellen en welke bronnen je nader gaat verkennen. Daarbij kijk je ook naar het organisatieprobleem dat je wilt aanpakken. Dit leidt tot weer nieuwe informatievragen terwijl je mogelijk een aantal eerdere vragen wilt schrappen. Stel dat je bijvoorbeeld Europese statistieken over voedingsuitgaven in de verschillende landen hebt gevonden. Dan kan een volgende informatievraag zijn:
·         Cijfers zoeken voor de uitgaven aan voeding en ontbijt voor alle landen van Europa. Op basis hiervan een ranglijst maken naar verwachte marktomvang.
Tegelijk kun door het zien van de eerste Europese overzichten tot de conclusie komen dat een overzicht maken van alle Europese landen veel te veel werk wordt. Je kunt daarom besluiten om in deze stap het aantal landen in te perken. Bijvoorbeeld:
·         ‘Een selectie maken van enkele landen met veel bestedingen aan voeding en met naar verwachting een heel diverse ontbijtcultuur.’ Eerste gedachte: Engeland, Nederland, een land uit Zuid Europa, Duitsland en Noorwegen. Actiepunt: check bij de opdrachtgever.

2.3          Kennis: het doel van onderzoek
Het uiteindelijke doel van ieder onderzoek is te komen tot zinvolle en betrouwbare antwoorden op de vragen die zijn gesteld. Dat doe je door informatie te verzamelen in de vorm van uitspraken, cijfers, en van anderen. Zinvolle antwoorden kun je alleen geven als al deze informatie ook inderdaad leidt tot kennis. Je zult je steeds moeten afvragen of wat je vindt, ook aan die kennis bijdraagt. Onzinuitspraken of cijfers werken alleen maar verwarrend. Bij het beoordelen van de waarde van de informatie die je vindt speelt het begrip kennis dan ook de hoofdrol. Daarom definiëren we hier wat er mee wordt bedoeld. We sluiten daarbij aan bij het begrip kennis zoals filosoof Timo ter Berg en zijn collega’s dat omschrijven in het studieboek Kritisch Denken [literatuurverwijzing].
[Definitie]
Kennis is een gerechtvaardigd geloof in iets dat waar is.
[einde definitie]
We kiezen deze definitie omdat hij een prima handvat biedt voor deskresearch. Tijdens het zoeken naar informatie kom je veel gegevens tegen die van belang lijken te zijn voor de onderzoeksvraag. Met behulp van deze twee kenmerken: het ‘gerechtvaardigde geloof’ en de vraag of iets ‘wáár’ is, kun je snel de kwaliteit beoordelen van de informatie die je vindt. Zo selecteer je de informatie die nader wilt beoordelen en analyseren.
Mirjam Broekhoff is marketingjournalist, onderzoeker en blogger. Ze schrijft zelfstandig en in opdracht. www.mirjambroekhoff.nl. Wilt u geïnformeerd worden als het boek klaar is? Stuur dan een mailtje naar mirjam.broekhoff@tiscali.nl

maandag 23 mei 2011

Kritisch denken als vak in het HBO

Docent Kaki Markus (foto) vertelt hoe dat gaat
‘Studenten moeten leren om objectief na te denken over de keuzes die zij maken. Ook als ze een opdracht doen voor een bedrijf.’, zo stelt Kaki Markus. Als docent aan de HEAO heeft ze verschillende generaties studenten opgeleid. ‘Vooral bij bedrijfsopdrachten en afstudeerscripties zie je dat studenten worstelen met de vragen die worden gesteld.’
‘Het gevolg is dat de student zoveel mogelijk informatie gaat verzamelen - in de hoop dat hieruit dan een antwoord volgt. Vervolgens lopen ze vast in de analyse: wat is relevant, wat is belangrijk en wat niet. Eigenlijk zou een student in de eindjaren van zijn studie in staat moeten zijn om keuzes te maken en zijn zoekproces te sturen. Daarom moeten studenten tijdens de opleiding hun analytische vaardigheden ontwikkelen. Ze moeten leren om goede vragen te stellen, relevante informatie te verzamelen, te analyseren en op basis hiervan een afgewogen oordeel te geven.
‘In de praktijk zie ik dat studenten dankbaar zijn dat een bedrijf hen een stage- of afstudeerplek biedt. Ze willen graag dat het onderzoek uitkomsten oplevert die de opdrachtgever welgevallig zijn. Toch is het hun taak om - binnen die dankbaarheid - eerlijk en objectief onderzoek te doen. Ze moeten niet “naar een uitkomst toe redeneren” maar objectief met informatie omgaan. Het is misschien lastig als je met bezwaren komt en met argumenten die de opdrachtgever liever niet hoort. Tegelijk is het broodnodig. Een eerlijk onderzoek is in het belang van de student én het bedrijf.’
Kritisch denken als HBO-vak
Op basis van de lesmethode die is geïntroduceerde door Timo ter Berg (Stichting Kritisch Denken) geven drie docenten nu het vak ‘kritisch denken’ in het tweede jaar van de IBMS (Engelstalig) In Amsterdam. ‘Het is een knap lastig vak.’, vertelt Kaki Markus. ‘We leren de studenten om te werken met zogeheten redeneerschema’s. Aan de hand van een tekst moeten ze in één zin de kern van het betoog weergeven; de stelling. Vervolgens moeten ze de redenatie van de auteur, met al z’n manco’s en (on)duidelijkheden weergeven in een redeneerschema om uiteindelijk te kunnen beoordelen of de stelling van de auteur geaccepteerd of verworpen zou moeten worden. Dat vraagt veel: kennis van het onderwerp maar ook het vermogen om na te denken over je aanpak, visie en perspectief. Om deze vaardigheden te ontwikkelen moeten de studenten flink aan het werk. Ze moeten veel aandacht besteden aan hun huiswerkopdrachten - anders krijg je dit niet onder de knie. Daarnaast is dit een heel confronterend vak. Het is helemaal niet leuk als je een - naar jouw idee sluitende - redenatie hebt opgezet en een ander prikt daar doorheen. Zo wordt zichtbaar je het onderwerp eenzijdig hebt bekeken, zonder op zoek te gaan naar een andere invalshoek. Ook blijkt soms dat je je hebt laten leiden door je eigen opvattingen en overtuigingen. Dat is lastig en persoonlijk.
Opleiding voor de docent
Om het vak onder de knie te krijgen, zijn Kaki en haar collega’s eerst zelf op cursus gegaan. Tien middagen kregen ze les van de filosoof Timo ter Berg zelf. Eerst maakten ze zelf alle opdrachten die ze met de studenten zouden gaan doen. Vervolgens ontwierpen de docenten zelf nieuwe opdrachten en oefenden ze met meer ingewikkelde problemen. ‘We werken in dit vak met het computerprogramma Rationale.’, vertelt Kaki Markus. ‘Een heel gebruiksvriendelijk programma. Het vak is vooral inhoudelijk heel pittig. Het goed werken met redeneerschema’s en het juist opsplitsen van argumenten vraagt veel inzicht en ervaring. Je moet de met elkaar samenhangende redenen en bezwaren op een logische wijze groeperen. Het zien van die samenhang, het beoordelen van de mate van samenhang en het beoordelen van de relevantie is moeilijk. Je begint met het formuleren van redenen en bezwaren. Die plaats je in een logisch verband. Vervolgens ga je alle redenen één voor één af om ze zowel individueel als in samenhang met de daaraan verbonden uitspraken op waarde te schatten. Uiteindelijk ben je in staat om tot een afgewogen oordeel te komen: moet de initiële uitspraak, het uitgangspunt of het plan worden geaccepteerd of verworpen?
Glashelder
Ook taalvaardigheid speelt een rol. Bij het analyseren van teksten moeten studenten de inhoud in een redeneerschema plaatsen. Emotionele uitspraken - maar ook zinnen die beginnen met die of dat - moeten preciezer worden geformuleerd zodat glashelder blijkt wat er wordt bedoeld. Wanneer studenten de tekst niet goed interpreteren doen ze de redenatie van de auteur geweld aan. Het schema verliest dan aan waarde: de inhoud geeft de inhoud van het betoog niet goed weer. Het gevolg is dat je de stelling waarop het schema is gebaseerd niet meer objectief accepteren of verwerpen.
‘Als docenten moesten we stevig aan de slag om dit vak onder de knie te krijgen. Je moet bereid zijn om te vallen en weer op te staan. Gelukkig merkten we wel dat oefenen echt helpt: het is simpelweg een kwestie van ‘kilometers maken’. Zelf hebben we door heel veel opdrachten te maken gemerkt dat we echt zuiverder gingen redeneren. Ook worden wij er al werkende steeds beter in om onze kennis over te brengen op de student. Je hoort in de klas soms een redenatie die gewoon nergens op slaat. Dan is het soms lastig om te achterhalen wat de student precies bedoelt. Dat ga je gelukkig steeds sneller zien en achterhalen. In de loop van de tijd hebben we ook een aantal oefeningen gevonden waarbij je van te voren weet dat ze een leermoment opleveren. Je neemt een controversiële uitspraak, bijvoorbeeld ‘de doodstraf is noodzakelijk’. Als je studenten daar een redeneerschema bij laat maken, dan gaat het bijna gegarandeerd fout. De eigen mening speelt dan bijna altijd een rol.’
Ideaalbeeld
‘Eigenlijk is kritisch denken een vak dat binnen alle vakken terug moet komen.’, vertelt Kaki Markus. ‘Mijn ideaalbeeld zou dan ook zijn dat alle docenten op onze school in staat worden gesteld om zich de ‘kritisch denken’-methode eigen te maken. Ze zouden deze dan binnen hun eigen vak kunnen integreren. Zo kunnen studenten dan zien dat kritisch denken vakken overstijgt, dat het op allerlei gebieden leidt tot meer inzicht en dat je dus betere beslissingen kunt nemen. Tegelijk besef ik me dat dit waarschijnlijk niet haalbaar is: je vraagt enorm veel extra inspanning en betrokkenheid van iedere docent. En dan heb ik het nog niet eens over tijd en geld. Ik vind wel dat het vak minimaal onderdeel zou moeten zijn van het curriculum van iedere HBO-opleiding. Het vermogen om kritisch te denken zou een basiskwaliteit moeten zijn van al onze afgestudeerden.’

Timo ter Berg ontwikkelde voor Nederland de methode ‘Kritisch denken’. Meer informatie hierover vindt u op www.kritischdenken.nl. Er is ook een lesboek: isbn 978 90 430 1796 1.

Mirjam Broekhoff (de schrijver) is marketingjournalist, onderzoeker en blogger. Ze schrijft zelfstandig en in opdracht. www.mirjambroekhoff.nl

vrijdag 20 mei 2011

Thuiswinkelen groeit razendsnel

Thuiswinkelen groeit razendsnel
Blauw Research stelde in april 2011 cijfers vast voor de groei van het online-winkelen in Nederland. Deze zijn gebaseerd op 800 enquêtes 1). Blauw concludeert dat Nederlanders in 2010 voor liefst € 8,2 miljard producten en diensten hebben gekocht via het internet. Dat is 11% meer dan het jaar ervoor. Volgens het CBS groeiden de totale consumptie waarde van goederen in 2010 met ongeveer 1,6%. De internetbestedingen groeien dus relatief veel harder.
Waarom groeit het internetwinkelen zo hard?
Dat komt vooral doordat het aantal bestellingen toeneemt. In 2010 werden bijna 69 miljoen bestellingen gedaan, dat is 29% meer dan het jaar ervoor. Het zijn vooral de mensen die ervaring hebben met internetkopen, die zorgen voor de groei. Liefst 9,25 miljoen Nederlandse consumenten hebben (70% van de mensen ouder dan 16 jaar) wel eens een online-aankoop gedaan. Toch hangen er nog 2 miljoen mensen ‘boven de markt’: zij zijn actief op internet, maar kopen daar nog niet. Blauw Research verwacht dat de online-bestedingen - van zowel huidige als nieuwe internetconsumenten - in 2011 weer verder groeien, en wel met 10%.
‘Het thuiswinkelen groeit steeds verder.’, licht Frank Sibbel - directeur bij Blauw Research - toe. ‘Mensen raken er steeds meer mee vertrouwd, ze vinden het makkelijk, flexibel en snel. Online winkelen is ook steeds leuker geworden: de winkels zien er beter uit, het zoeken binnen de winkel wordt door betere techniek steeds eenvoudiger en er zijn steeds meer consumerratings en reviews. Ook toename van mobiele technologie, dat wil zeggen draagbare computers en telefoons die beschikken over een snelle breedbandverbinding, stimuleert dat mensen overal en altijd kunnen winkelen.’
Meer bestellingen, kleinere bedragen
De gemiddelde internetconsument plaatste in 2010 7,4 bestellingen. Dat was meer dan het jaar ervoor (6,2). Het gemiddelde aankoopbedrag was € 119,-, dit was juist wat lager dan in 2009 (- 14%). De totale internetuitgaven per consument namen toe tot in totaal € 888,- per persoon (+4%).
Kopers op internet
De kopers op internet vormen een goede afspiegeling van de gebruikers van internet en de Nederlandse bevolking als het gaat om de verdeling man/vrouw. In de leeftijdsgroep ouder dan 44 jaar wordt relatief iets vaker via internet gekocht. De leeftijdsgroep 25 - 34 jaar koopt relatief wat minder via internet. Ook mensen met een lage opleiding kopen wat minder vaak op internet. De middelbaar opgeleiden doen dat relatief wat meer en de hoger opgeleiden zijn exact vertegenwoordigd onder de internetshoppers.
De fysieke winkel blijft populair
Uit eerder onderzoek van Blauw (Multichannel Monitor) 2) blijkt dat in 2010 nog steeds 71% van alle aankopen in de winkel wordt gedaan. Zo’n 21% van de aankopen vindt plaats via een webwinkel of via de website van de fabrikant. Daarnaast kopen mensen op de markt, per telefoon, particulier en via online marktplaatsen op internet. Het internet is het dominante kanaal voor de aankoop van diensten: reizen, tickets en muziek. Ook erotiek wordt overwegend via internet aangekocht. In 2009 werd ook het grootste deel van de computersoftware en verzekeringen via internet gekocht. Hier is de verkoop via internet juist gedaald: de fysieke winkels en de telefoon zijn weer meer populair als aankoopkanaal.
Bronnen:
1. Essential Facts - Online thuiswinkelen in Nederland. Blauw Research, april 2011. Dit rapport kan worden gedownload via de site www.thuiswinkel.org.
2. Multichannel Monitor2010 - Blauw Research t.b.v. HBD en Thuiswinkel.org. Dit rapport kan worden gedownload op de site www.hbd.nl
Mirjam Broekhoff (auteur van deze blog) is marketingjournalist, onderzoeker en blogger. Ze werkt zelfstandig en in opdracht: http://www.mirjambroekhoff.nl/